Sloganman hoorde een politicus op de radio een
betoog houden over iets dat door de man werd bestempeld als ‘vrij ongeneeslijk’.
Hij was meteen op z’n hoede. Wacht even. Had de spreker ‘ongeneeslijk’ in
gedachten, maar ‘niet in de strikte zin van het woord’? Had hij voorkennis van
een therapie die mogelijk in de nabije toekomst tot de hoop op genezing
zou kunnen leiden? Bedoelde hij met ‘vrij ongeneeslijk’ dat datgene waarover
hij het had zich in een voortdurende terminale fase bevond, maar vooralsnog
niet wenste te overlijden? Of was het een soort van milde ‘ongeneeslijkheid’?
Een ongeneeslijke tic? Een ingeslepen foutje, een tot norm gedenigreerde
onzorgvuldigheid?
De minister –ja, nu weet Sloganman het
weer, het was een minister- stapelde vrolijk de anomalieën op. Maar de 'vrij
ongeneeslijk’ bleef in Sloganman nazinderen.
Hij moest om een onduidelijke reden aan
Marc Coucke denken. En aan Dimitri Bontinck. En hij ging meteen op zoek naar
alternatieven. ‘Zowat ongeneeslijk’ vond hij als iets minder niet kunnen, maar
nog altijd niet kunnen. Zoals steendood eigenlijk ook niet kan, omdat dood al
dood genoeg is. Om van keitof nog maar te zwijgen.
Sloganman bezint zich elke dag over taal.
Omdat het –de lichaamstaal meegerekend- de enige vorm van communicatie is
waarmee we iets aan elkaar kunnen duidelijk maken. Als Koen Geens vindt – ja,
dàt was ‘m, Koen Geens- dat hij ‘vrij ongeneeslijk’ in de mond mag nemen, dan mag
Sloganman hem aan z’n woord houden en de politiek ‘vrij onbegrijpelijk’ blijven
vinden.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten