Brasschaatst ware beter geweest. Die
kapitalen zijn nergens voor nodig. Ze storen het woordbeeld, accentueren
onnodig het vondstje. Tot daar de les in reclametaal. Een taal die bij voorkeur
niet afwijkt van gewone taal. Tenzij er een goede reden voor is.
Brasschatenaren voorbereiden op het
afschakelplan? Brasschakelt. Theaterfestivalletje van de lach organiseren?
Brasschatert. Schaaktornooi? Brasschaakt. Een inwijkeling met een postbusadresje op
de Kaaimaneilanden? Een Brasscharrelaar. Een tramverbinding met Antwerpen
afwijzen uit vrees voor de mogelijke instroom van common people?
Brasschaamteloos.
En zo kan Sloganman nog wel even doorgaan.
Brasschaat verdient het stigma niet dat het
zichzelf heeft opgelegd. Het is een juweel van groen en rust, een feest van
natuurlijke rijkdom. Altijd geweest. Sloganman liep er college, was er scout,
had er vrienden en vond er troost. Om van het mooiste geboortemoment in z’n
leven nog maar te zwijgen. En dat terwijl hij al die tijd in Schoten en Merksem
woonde. Brasschaat was van iedereen.
Op een ijspiste in een shopping mall in
Texas zag Sloganman ooit twee vrouwen in boerka vrolijk op de schaats rondzwieren.
Hij houdt niet van boerka’s en de hele heisa erachter en eronder, maar hij zou
het geweldig vinden als er straks een boerkamadam op het ijs zou stappen voor
een rondje Brasschaatsen. Met een filmploeg erbij om de Brasschande te
registreren. Trammelant op de grootste ijspiste van het land.






