Jan Mulder was ooit de spits van een soeverein Anderlecht. Paarswit bevrijdde hem uit het onooglijke Winschoten en dropte hem in voorste linie van de toen nog Europese grootheid.
Mulder zou zeven seizoenen lang aannemen, dribbelen, draaien en scoren voor de club waar hij nog steeds een boon voor heeft. Na een korte periode bij Ajax en een knieblessure die ook de voetbalcarrière brak, ontpopte hij zich tot een zo mogelijk nog spitsere commentator en columnist. Een woordenmolenaar. Een molenwiekende praatgast. Een stilist op velden van papier en pixels.
Deze Mulder zat, de wijn liefhebbend, met een paar analisten rond een studiotafel in een EK-programma op de NOS geheel en al zichzelf te zijn. Zijn krachtige analyse van het Oranje débacle met luchtklievende armen nog meer kracht bijzettend. Zijn slotzin omvatte niet meer dan vier woorden, samen één simpele lijn die ook bakkers en slagers en strandjutters kunnen bedenken, maar die uit zijn mond, in dat heldere staccato, absoluut dodelijk klonk:
HET WAS NIET GOED

Geen opmerkingen:
Nieuwe opmerkingen zijn niet toegestaan.