zondag 18 september 2011

Sloganman, Namnagols


Hebben slogans nog wel nut? vraagt Sloganman zich wel eens af, in het besef dat hij daarmee ook zichzelf en zijn maatschappelijke relevantie ernstig in vraag stelt. Dus neemt hij regelmatig de proef. Hij vraagt een huisgenoot, een collega, een kennis om een merk te noemen, een bekend merk liefst, en probeert zich dan de slogan te herinneren die dat merk betekenis moet geven, die strikt genomen vooraan op z'n tong zou moeten liggen, die hij bij wijze van spreken spontaan, zonder énige aarzeling, zou moeten kunnen reciteren. Het lukt vaker niet dan wel. Maar door de bank genomen scoort hij zo'n 50% beter dan de gemiddelde medemens-met-een-ander-beroep. Een consument, zeg maar. Iemand die niet bij slogans stilstaat, tenzij ze hem letterlijk een halt toeroepen.


De wildgroei aan kreten is niet nieuw in de communicatiejungle. Slogans die schaamteloos zijn 'ontleend' aan grote merken die er decennialang in hebben geïnvesteerd. Slogans, bedacht door dochterlief tijdens de les natuurkunde. Slogans, geopperd door de zaakvoerder zelf en door niemand tegengesproken vanwege het grote werkgeversgelijk. Slogans die manken, uit het toetsenbord zijn gestrompeld, niet bekken, het merk, het product, de dienstverlening alleen maar ongeloofwaardig maken, argwaan wekken, het tegenovergestelde teweegbrengen van wat de bedoeling is ...


En toch, en toch. Als het goed is zeggen we het ook." Maten, makkers, Maes". Dat samenhorigheidsgevoel tussen doelgroep en merk werkt én werkt na, nog altijd. Zeg "Maten, makkers" en het antwoord volgt meteen. Het merk als antwoord. Kan het mooier? Een merk, zo sterk dat je, zelfs als je de medeklinkers omkeert, nog niet kapot krijgt.


Maten, makkers, Saem


Man!man!man! zou Marcel zeggen.

Geen opmerkingen: